Tot het einde van de 17e eeuw worden militairen in de Nederlandse vestingsteden ondergebracht in barakken, bomvrije kelders, leegstaande gebouwen, zoals kerken en kloosters, of huizen van burgers, de zogenaamde inkwartiering.
Pas in 1685, enkele decennia nadat de huurlegers grotendeels zijn vervangen door staande legers, die permanent inzetbaar zijn, bepaalt Lodewijk XIV dat de infanterie voortaan in kazernes moet worden gelegerd. In Frankrijk en andere Europese landen verschijnen daarop de eerste gebouwen die speciaal zijn bestemd voor de huisvesting van soldaten.
In Gorinchem duurt het nog tot 1826 voor de stad de eerste kazerne laat bouwen. Dit ondanks het feit dat de behoefte aan legeringsruimte na de Franse bezetting in 1795 sterk toeneemt.
Terwijl elders in het land vele nieuwe kazernes verrijzen, ook in verband met de invoering van de loting voor militaire dienst in 1810, neemt Gorinchem gedurende de Franse tijd (1795-1814) haar toevlucht tot het huren van particuliere gebouwen, meestal eenvoudige pakhuizen en schuren. Na de Franse tijd, die niet zonder schade aan de stad voorbij was gegaan, richtte Gorinchem zich op een nieuwe militaire rol. De gemeente gaf opdracht voor de bouw van de kazerne en financierde het project voor fl.92.000 om zodoende de stedelijke economie ook te stimuleren.
Willemskazerne
Men begon in 1826 met de bouw van de Willemskazerne die tot 1969 zou blijven staan. In het gebouw konden 900 manschappen van de infanterie ondergebracht worden. Al na enkele jaren was het aantal bewoners tot 1100 gestegen en diende het gebouw opnieuw ingericht te worden. Men bracht gaanderijen aan in de kamers en maakte op die wijze ruimte voor bijna 2000 man. Maar de toegenomen huisvestingscapaciteit veroorzaakte ook problemen met de opslag van kleding. Men week daarvoor uit naar een nieuw onderkomen aan de Westwagenstraat, de zogenaamde Smakheulkazerne. Aan het einde van de 19e eeuw voldeden de Willems- en de Smakheulkazerne niet meer aan de eisen van de tijd. De infanterie had ondertussen in 1879 haar plaats afgestaan aan het onderdeel vestingartillerie.
Citadelkazerne
De Citadelkazerne bouwde men in 1900-1901 voor een bedrag van fl.66.700. De kazerne verrees gedeeltelijk over de gedempte gracht langs de Torenstraat en tegenover de Nieuwstad om het exercitieterrein zo groot mogelijk te houden. De poort die tot dan toe vanuit de Torenstraat toegang tot het terrein verschafte, verplaatste men naar de Struisvogelstraat waar hij tot het eind van 1997 gestaan heeft.
De totale bezetting van de vier kazernes in Gorinchem bedroeg rond de eeuwwisseling 650 man, veel minder dan 70 jaar eerder. Ondanks het geringere aantal manschappen, bleef de economische rol van de militairen vooral voor de middenstand van groot belang.
Uitbreidingen
Gedurende de eerste helft van de 20e eeuw verschenen er steeds meer gebouwen op het terrein. In 1917 begon men met de bouw van de adjudantwoning die in de zuidoost hoek van het plein geplaatst werd. Tegelijkertijd maakte men een begin met de constructie van een kantine die haar plaats kreeg tussen de beide grote Kazernes in, langs de Pompstraat.
Later breidde men de bebouwing verder uit met een wacht- en gymnastieklokaal aan de oostkant van het plein. Een opmerkelijk klein bouwsel sierde het Kazerneterrein vanaf 1903. Het was geplaatst aan de gracht langs de Pompstraat. Het betrof een monument voor luitenant Gerrit Boldingh, ooit opgeleid in Gorinchem, die in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika de kant koos van de boeren en op 19 decemeber 1901 op 30 jarige leeftijd te Nauwpoort (Zuid-Afrika) sneuvelde. De bank van gepolijst graniet verplaatste men voor de bouw van de kantine naar de tegenoverliggende zijde van het plein, tussen de poort en de adjudantwoning.
Op de situatiekaart van december 1956 is de bebouwing op het plein op haar hoogtepunt afgebeeld, naast de reeds genoemde gebouwen treft men respectievelijk een brancardloods, een privaatgebouw, een poets- en schilloods, een badinrichting en rijwielstallingen aan.
De rol die Gorinchem als garnizoensplaats bekleedde heeft dan echter zijn langste tijd gehad.
De vesting is niet langer van belang voor de landsverdediging. Toch blijft een deel van de vestingwerken nog tot 1959 gehandhaafd omdat zij onderdeel uitmaakten van de Hollandse Waterlinie. De gebouwen en functies van de gehuisveste legeronderdelen zijn dan eigenlijk al zo verouderd dat het nog een kwestie van tijd was voor de Landmacht de stad zou verlaten.
Toch was het de gemeente die het Ministerie van Defensie benaderde met het verzoek om een einde te maken aan de garnizoensfunctie van Gorinchem. Het besluit van de gemeente voor dit verzoek was een gevolg van de behoefte aan nieuwe huisvesting om de woningnood die bestond in de jaren vijftig en zestig te kunnen lenigen.
Op 9 november 1967 streek het leger voor het laatst de vlag op het Kazerneplein, na bijna vierhonderd jaar een belangrijke rol binnen de veste te hebben bekleed.
Sloop
De sloop van de kazernes op het Kazerneplein begon in 1969 en een jaar later restte alleen nog de adjudantwoning.
Na de ontmanteling en sloop van alle overige militaire gebouwen bleef het Kazerneplein zoals het kazerneterrein pas in de 20e eeuw genoemd werd, nog een tijd ongebruikt in afwachting van een nieuwe bestemming.
Hoewel de gemeente eerst haast maakte met de sloop bleek men al in 1970 minder noodzaak te zien in nieuwbouw op het kazerneterrein. Aan de zijde van de Pompstraat bouwde men het nieuwe politiebureau, het overige deel van het Kazerneplein zou tot aan de zomer van 1997 in gebruik blijven als parkeerterrein.
In augustus 1997 begonnen de werkzaamheden voor de nieuwe inrichting en bebouwing van de voormalige "Drosten Heck" met de sloop van de adjudantwoning, het laatste bouwsel dat nog herinnerde aan de bepalende militaire historie van Gorinchem .
Bron: Werkgroep Archeologie Gemeente Gorinchem
|